Als leerlingen zich herkennen, verandert er echt iets
In dit artikel staat imago en beeldvorming centraal: hoe kijken kinderen en jongeren naar technologie, en herkennen ze zichzelf daarin?
In deze serie praktijkverhalen staat telkens een Techkwadraat-regio centraal. Met inspirerende voorbeelden laten we zien hoe je technologieonderwijs vormgeeft in de praktijk. En die verhalen zijn hard nodig. Technologie speelt namelijk een steeds grotere rol in ons dagelijks leven. Gelukkig zijn er in Nederland steeds meer kinderen en jongeren die binnen en buiten de school structureel in aanraking komen met techniek en technologie. En dat willen we je graag laten zien: het kan dus wél.
In dit artikel staat imago en beeldvorming centraal: hoe kijken kinderen en jongeren naar technologie, en herkennen ze zichzelf daarin? Programmamanager Janna Pot en vakdocent STEAM Lian Ginissen werken in de regio Haaglanden aan een inclusiever beeld van technologie. Janna doet dat op regionaal niveau voor Techkwadraat, door scholen en partners met elkaar te verbinden. Lian ziet in haar lessen iedere week wat beeldvorming met leerlingen doet. Want hoewel techniek en technologie steeds belangrijker worden, zijn er ook jongeren die zich hier niet mee identificeren, juist daarom maakt het uit wie er voor de klas staat en wie leerlingen te zien krijgen. Dat merk je in alledaagse momenten, zegt Lian. Als het digibord het niet doet, wordt er volgens haar nog vaak eerst naar een man gekeken.
Terwijl ik gewoon weet dat ik dat bord altijd aan de praat krijg. Ik ben tien jaar bovenschools ICT’er geweest. Maar toch word je overgeslagen.
Herkenning leidt tot verandering
Voor programmamanager Janna Pot is duidelijk dat imago en beeldvorming een belangrijke rol spelen. Toen de regio in kaart bracht waar scholen behoefte aan hadden, kwam één vraag steeds opnieuw terug: hoe maken we technologie aantrekkelijk en herkenbaar voor álle leerlingen? Volgens Janna begint verandering bij wat leerlingen te zien krijgen. ‘Welke voorbeelden gebruik je? Wie komt er in beeld? En herkennen leerlingen zichzelf daarin?’ Ze zag dat ook terug in lesmateriaal dat in de regio werd gebruikt. Projecten rond bekende wetenschappers, maar zonder één vrouwelijke naam.
Dan denk je toch: waar is Madame Curie? Vrouwelijke wetenschappers zijn er wel degelijk, maar je moet er soms net iets meer moeite voor doen om ze zichtbaar te maken. Juist daarom zijn rolmodellen zo belangrijk. Als leerlingen iemand zien in wie ze zich herkennen, verandert er iets.
Dat werd ook duidelijk tijdens een regionale bijeenkomst op 3 maart, waar onderwijsinstellingen en partners uit het hele onderwijsveld samenkwamen rond het thema vrouwen in de techniek. Niet alleen scholen uit het primair en voortgezet onderwijs, maar ook mbo, hbo en universiteiten waren daarbij betrokken. ‘We merkten dat er al heel veel gebeurt,’ zegt Janna. ‘Maar vaak nog los van elkaar. Iedereen is op zijn eigen plek bezig.’ Juist daarom wordt nu, onder andere vanuit het initiatief Project Beethoven, gekeken hoe die verschillende onderwijslagen beter met elkaar kunnen samenwerken op het thema inclusiviteit. ‘De vraag is: hoe kunnen we samen stappen zetten, in plaats van allemaal apart?’ Die gezamenlijke aanpak sluit aan bij de bredere ambitie van Techkwadraat om binnen het leernetwerkverbinding te leggen tussen onderwijs en partners in de regio. ‘We willen zichtbaar maken wat er al is en kijken hoe we die kracht kunnen bundelen.’
Wat je laat zien, bepaalt wat leerlingen zien
Wat in gesprekken met scholen en partners steeds weer naar voren kwam: beeldvorming zit vaak in kleine dingen. Janna noemt een voorbeeld van hoe techniek wordt uitgelegd in de klas.
Soms gebeurt dat aan de hand van een auto of snelheid. Dat kan, maar het spreekt niet iedereen aan. Dat gebeurt niet expres, maar het heeft wel effect. Als je verschillende werelden en contexten van techniek en technologie laat zien, draagt dat onbewust bij aan het bewustzijn dat techniek voor iedereen is. Met een paar kleine aanpassingen kun je al een veel breder publiek bereiken.
Van strategie naar praktijk: rolmodellen in de klas
Die bewustwording leidt er in de regio toe dat er beter wordt nagedacht over wie je laat zien aan leerlingen, bijvoorbeeld door het inzetten van rolmodellen. Op basisschool De Tweemaster in Den Haag krijgen alle leerlingen van groep 1 t/m 8 les in technologie. Dit wordt geleid door vakdocent STEAM Lian Gielisse. ‘Zo hebben we projecten waarin leerlingen zelf in gesprek gaan met mensen uit het werkveld. We laten leerlingen kennismaken met verschillende beroepen in de technologie. Niet alleen door erover te horen, maar door er echt mee in aanraking te komen.’ Leerlingen interviewen samen met een videograaf professionals uit de praktijk. Daarna gaan ze in kleine groepjes naar de werkplek van zo’n rolmodel om verder door te vragen. Een van de voorbeelden is een ouder die werkt bij ESA, in de ruimtevaart. ‘Doordat het iemand uit hun eigen omgeving is, wordt technologie ineens concreet en dichtbij,’ zegt Lian.
Herkenning maakt het verschil
Juist wie je laat zien, maakt daarin verschil. Dat merkte Lian ook tijdens het project. ‘We hadden al drie mannen in beeld,’ zegt ze. ‘Toen ik me daar bewust van werd, stelde ik mezelf de vraag: wat ben ik nou eigenlijk aan het doen?’ Janna geeft aan dat, dat soort momenten hebben ertoe geleid dat er nu actief gezocht wordt naar meer diverse rolmodellen.
Niet alleen vrouwen, maar ook verschillen in achtergrond, leeftijd en opleidingsniveau. We maken een veel grotere impact als leerlingen iemand zien die dichtbij hen staat.
Niet voor meiden, maar voor iedereen
Toch draait het volgens Lian niet alleen om meer vrouwen in beeld. Het gaat om een bredere beweging.
Ik ben groot voorstander van meer vrouwen in techniek. Maar nog belangrijker vind ik dat we afstappen van het idee dat bepaalde beroepen voor jongens of meiden zijn.
In haar lessen ziet ze hoe belangrijk dat is. Leerlingen werken met een breed aanbod, van 3D-printen en ontwerpen tot bouwen en experimenteren. Door dat brede aanbod kunnen kinderen zelf ontdekken waar hun interesse ligt,’ zegt ze. Tegelijkertijd ziet ze dat er ook in de praktijk waar leerlingen later terechtkomen nog werk te doen is. ‘Je ziet het bijvoorbeeld in werkplaatsen waar nog een naaktkalender hangt,’ zegt ze. ‘Of in werkkleding die niet goed aansluit, of dat je meerdere keren moet vragen om een prullenbakje op de wc.’
Vroeg beginnen met een ander beeld
Volgens Lian zijn verschillen tussen jongens en meisjes op jonge leeftijd veel kleiner dan later. Dat inzicht kreeg ze niet uit theorie, maar uit de praktijk. ‘Iemand vertelde dat ze een project met robotisering in groep 4 wilde doen,’ zegt ze. ‘Toen dacht ik: waarom zo jong?’ Het antwoord bleef hangen.
Omdat jongens en meisjes op die leeftijd nog veel gelijker zijn. Daarna gaan vooroordelen pas een rol spelen.
Juist daarom begint het volgens Lian zo vroeg. ‘Hier begint het,’ zegt ze. ‘Als kinderen ervaren dat ze dit kunnen en leuk vinden, nemen ze dat mee in hun verdere keuzes.’
Samen werken aan een bredere blik
Voor Janna ligt daar ook de rol van de regio. Niet alleen losse initiatieven ondersteunen, maar zorgen dat ze elkaar versterken.
Er zijn al veel goede voorbeelden. De uitdaging is om die zichtbaar te maken en met elkaar te verbinden. Door samenwerking tussen scholen, bedrijven en andere partners ontstaat er een breder beeld van technologie. En precies dat is de kern van het kompaspunt imago en beeldvorming: niet alleen laten zien wat technologie is, maar vooral dat iedereen er onderdeel van kan zijn.